Vakantiedagen

Ik herinner me uit mijn jeugd in de jaren vijftig, zestig, dat vrije dagen of vakantie helemaal niet vanzelfsprekend waren. Het was iets wat geld kostte en dat was er te weinig, dus werd er gewoon doorgewerkt. Vrije dagen waren een luxe die niet iedereen zich kon veroorloven. Er werd gewerkt, gegeten en geslapen. Zo ging het maar door. Ik kan me echter niet herinneren dat er geklaagd werd, het leven werd genomen zoals het was omdat de tijd van oorlog nog te vers in ieders gedachten zat. Alles was beter dan die tijd waarin honger en dood het leven overheerste. Er werd graag en hard gewerkt voor de wederopbouw.

Het weekend bestond toen nog uit slechts een dag, de zondag. Op zaterdag werd er gewoon gewerkt en ging de jeugd in de ochtend naar school. Op zondag was de familie, op eventueel kerkbezoek na, zonder verplichtingen. Het was een dag waarin je geacht werd rust te nemen zodat je op de maandag weer fit aan het werk kon. Als sportvisser had mijn vader logisch gezien altijd de voorkeur voor een uitje aan het water. Vaak zaten we met zijn allen rondom de visparaplu aan de waterkant. Gek genoeg zaten we altijd langs een drukke weg. Er werd een windscherm opgezet tussen het water en de weg waar we niet achter mochten komen omdat daar het verkeer langs raasde. Het was een populaire manier van vele mensen voor een dagje uit. Het was een manier van ontspanning voor weinig geld. Als onze vader werkte gingen we zwemmen met het hele gezin, het Biltse meertje of de plassen bij Maarsen.

Soms, als het weer het toeliet en de auto het deed, gingen we naar het strand. Heel vroeg in de ochtend werd alles in de auto geladen en werd er koers gezet naar Callantsoog aan Zee. Mijn vader ging zeevissen en wij zandkastelen bouwen. Aan het eind van de dag was iedereen uitgewoond en in slaap, behalve mijn vader achter het stuur, want we zijn altijd heel thuisgekomen.
Toen we het financieel wat beter kregen gingen we naar Spanje, de Costa Brava. Drie dagen in een bloedhete auto – airco was in die tijd nog heel bijzonder- met tussenstops op campings in Frankrijk. We reden met de familie in colonne naar het zuiden. Omdat de betrouwbaarheid van de auto in die tijd nog niet vanzelfsprekend was, waren we blij dat er een monteur meereed. Ome Arie was behalve uitdeuker en spuiter ook een redelijk goede monteur. Hij had in die tijd een rode Triumph, hij had er ook een top bij (afneembaar dak), maar gebruikte die nooit. Hij vond dat een chauffeur de wind in zijn haar moest voelen, al had hij niet veel meer. Een zweetbandje hield alles op zijn plaats. Dat het kon inregenen nam hij op de koop toe. Voor zijn bagage had hij er een aanhangertje achter hangen waarbij de helft van de ruimte door onderdelen en gereedschap werd ingenomen. Toen er op een keer bij een overnachting langs de autoroute ratten aan zijn tenen zaten te knabbelen, besloot hij toch maar voortaan de top mee te nemen en in de nacht de ramen te sluiten.

Hij vervloekte mijn vader vaak omdat hij een zogenaamde ‘Looie poot’ had. Dat betekende dat hij plankgas reed, ook waar dat soms niet mogelijk was. Nou ging die Ford Transit bestelbus van ons niet harder dan 80 km/u maar in een dorp was dat toch te hard. Arie spoot dan voorbij waarbij hij woeste bewegingen naar mijn vader maakte om rustiger te rijden, zodat alles heel, en de familie bij elkaar bleef.
Bij een overnachting op een camping veranderde mijn vader in een, zoals mijn oom Jink (foto) het uitdrukte, een ‘Obersturmführer.’ Mijn vader schreeuwde orders naar alles en iedereen, elk lid van de familie had een taak. Niemand onttrok zich daaraan want iemand moest toch de leiding hebben, niemand wilde die, behalve mijn vader. Voordat de auto’s op hun plek stonden werden de kofferbakken al opengetrokken en de tenten uitgeladen. De kinderen zette de genummerde framepalen van de tenten in elkaar terwijl de moeders al aardappelen zaten te schillen. Mijn vader gooide soms het tentzeil al over het frame heen terwijl we nog bezig waren het in elkaar te klikken. Binnen een uur nadat we gestopt waren zat iedereen aan de maaltijd en een half uurtje daarna gingen de moeders afwassen. Eten moest bij ons schijnbaar snel gebeuren. De kinderen gingen zwemmen en de vaders kaarten. Vaste prik, ook op de vakantie bestemming.

We gingen 11 dagen op vakantie, drie dagen heen, drie terug en vijf op de vakantiebestemming. In mijn herinnering duurde die vakantie jaren, dus juichend als je weer Nederlands op de borden zag staan. De trip onderweg was al met al een ervaring. Ome Arie heeft onderweg nooit hoeven uitdeuken maar had wel werk aan lekkende slangen en haperende motoronderdelen. Hij had altijd de juiste onderdelen bij zich voor een reparatie onderweg. Zijn mooiste reparatie die ik me herinner was op een oververhitte motor. Er was een v-snaar gesprongen en er was geen reserve, die was de vorige dag al gebruikt. Mijn vader stond als een woeste krijger naar zijn motorblok te blazen terwijl het kokende water alle kanten opspoot.
Ome Arie wachtte rustig tot mijn vader en de motor waren afgekoeld en pakte wat tape en de nylon kousen van zijn vrouw, mijn tante Coby. Hij verbond de vliegwielen met de tape en nylonkousen en startte de auto. We haalden het volgende benzinestation waar de monteur niet kon geloven wat hij zag. Hij bleef maar roepen; ‘Incroyable, ongelooflijk.
Ik kon het ook niet geloven, mijn moeder en drie zusters hadden ze ook, kousen. Ze waren zo kwetsbaar en zaten altijd vol ladders (scheurtjes) met nagelak werd voorkomen dat ze verder doorscheurden. Diezelfde kousen hadden ons ruim twintig kilometer verder gebracht in Frankrijk en onze vakantie gered.
Sinds die dag denk ik anders over nylon kousen, fragiel maar o zo sterk.