Winter in Finland

Ik zei tegen een stel vrienden dat we gingen overwinteren. Iedereen begon te joelen. ‘Oh, lekker, mag ik mee?’ riepen ze door elkaar. Ze hadden zonovergoten stranden in het hoofd en in gedachten werden de koffers met korte broeken en zwemkleding al ingepakt. ’Ik heb wel een kleurtje nodig,’ hoorde ik iemand zeggen. ‘Lekker zwemmen in de winter, vind ik altijd apart,’ hoorde ik iemand anders roepen.
‘Natuurlijk,’ zei ik en voegde er aan toe, ‘er is plek zat…in Finland.’
Verbijstering verbeelde de gelaatsuitdrukkingen die op de gezichten verscheen. Overwinteren doe je namelijk in warm Zuid Europa, niet in het koude noorden. Portugal en Spanje zijn populaire oorden, Finland hoorde daar niet bij. Ja, een weekje in Levi , dat kon nog, maar overwinteren?
Maar ons vakantiehuis staat nu eenmaal in Finland en dus gaan we daar naar toe. Hoofdschuddend wordt het aangehoord. Het is toch heel koud daar, wordt er dan gezegd, en ik knik. Klopt, het is er nu twintig graden onder nul. Ik krijg heel veel medelijden mee, en ze vermoeden een totale verstandverbijstering. Ik probeer dan uit te leggen dat kou wel kou is, ook in Finland, maar toch anders. De snijdende wind in Nederland is met -20 niet iets waar je op zit te wachten, ook ik niet. In Finland voelt het toch even anders, milder en zachter.

In ieder geval pakten we de nachtboot in Duitsland en stapten een dag later af in Helsinki. We reden door sneeuw de 250 km naar Mikkeli waar ons huis woont. De winterbanden hielden het goed en bij een rustige rijstijl was het goed te doen. Dat we later alsnog sneeuwkettingen moesten kopen om boodschappen te doen is een ander verhaal.
Het laatste stukje van de openbare weg naar ons huis is smal en gaat dwars door een bos- hoe kan het anders- en wordt sneeuwvrij gehouden door een plaatselijke ondernemer. Iedereen die de weg nodig heeft om bij zijn huis te komen betaalt daar aan mee. Hoe verder je van de openbare weg af woont, des te meer je betaalt, logisch en eerlijk. Wij delen een afslag met onze buren en tot aan de buren was de weg schoon en bereikbaar. Het stuk daarachter naar ons huis echter niet. Vanachter de voorruit van de auto keken tegen een sneeuwmuur op, we werden duidelijk niet verwacht deze winter. De sneeuwscheppen stonden gelukkig in de schuur naast de weg en na een paar uur zwoegen bereikten we het huis. De auto zou later wel op zijn plek gezet worden als de sneeuwruimer de weg vrijgemaakt had. Toen we na enkele uren aan de sneeuw gewend waren en het huis lekker warm was konden we genieten van ons uitzicht. Er zijn weinig plekken waar we zo kunnen genieten van het formidabele uitzicht. Na het altijd weer hectische Nederland kwam de rust en bracht ons weer samen met de natuur. Er is geen plek waar je meer tot rust komt als in een blokhut in Finland met louter sneeuw en stilte om je heen.

De volgende dag klaarde het weer op en de zon verlichtte de omgeving. De ski’s werden uit de schuur gehaald, het was de hoogste tijd voor een beetje “ontspanning”.
Het blijft voor mij toch wennen, op het ijs krijg ik altijd de bibbers, en niet alleen van de kou. Ik ben de sloten uit Nederland gewend waar ik ontelbare keren door het ijs ben gezakt. Hier achter de steiger waar ik in de zomer een duik in het water neem, lag nu een grote witte ijsvlakte. Ik zag de overbuurman met een auto plus aanhangwagen spullen naar zijn eiland rijden. De buurman naast ons had een boom geveld op het ijs die zo dik was als een olievat, maar het ijs gaf geen krimp. Aan een paar geboorde visgaten op het meer zagen we dat het ijs ongeveer een meter dik was. Veilig genoeg prentte ik mezelf moed in, dit is geen gracht of sloot in Nederland.
We klikten de ski’s onder en gingen op weg voor een tour rond het eiland tegenover ons. Ik ben geen meester op de dunne latten en zelfs op een vlak meer kreeg ik het voor elkaar om regelmatig plat te gaan. Toen we een stukje afsneden over een eiland zag ik mijn vrouw soepel tussen de bomen door glijden.
Overmoedig deed ik haar na. Dat ging drie hele bomen goed.
Toen kreeg ik een van mijn ski’s niet in het juiste spoor en met volle vaart botste ik op een witte verende muur. Achterover liggend op mijn ski’s staarde ik naar het boompje dat tussen mijn benen stond. Dat stond er al even en kon er echt niets aan doen. Overspel met een dennenboom dacht ik, terwijl ik naar een eikel keek die op mijn borst lag. ‘Sorry collega,’ mompelde ik en voelde me stom en Nederlands. Toen ik een ski los klikte en er naast stapte ontstond er een verticale meter verschil tussen mijn voeten. Ik herinnerende me een advies van mijn vrouw: stap nooit in dikke sneeuw uit je ski’s, je komt er namelijk nooit meer op zonder hulp. Nooit.
Dat klopt dus.

Uiteindelijk gingen we moeizaam verder. Het was tien graden onder nul maar toch zweette ik als een otter. Ik kreeg die witte massa moeilijk onder controle en vroeg mijn vrouw om op het meer te blijven, dat was al moeilijk genoeg voor mij. Even later stopte ze bij een paar sporen in het ijs en wees naar het bos aan de overkant.
‘Een beer waarschijnlijk,’ zei ze peinzend.
Ik schrok en keek bevreesd naar de overkant waar ik in elke boom een beer zag. Ze zag het en lachte. ‘Maak je geen zorgen, ze zijn banger voor jou dan jij voor hen.’
Dat betwijfelde ik, en ervaarde op dat moment mijn eerste ijsknal. Ervaren ijsgangers weten dat het komt en gebeurt, maar voor mij was het de eerste keer. Ijs beweegt namelijk door de temperatuurverschillen en dan schuiven platen ijs over elkaar. Dat gaat soms gepaard met een flinke knetterende knal.
En laat dat nu precies gebeuren als we het over grote loslopende beren hebben. Ik sprong zo ongeveer een meter omhoog, en dat is best handig als je om je heen wilt kijken, maar mijn hart zat in mijn keel. Ik verwachtte een kolossale beer met scherpe klauwen achter me, maar zag alleen een grote scheur in het ijs. Een sneeuwscooter pruttelde voorbij en de berijder groette vriendelijk terwijl hij over de scheur gleed.
Zie je wel, dacht ik, het is veilig, het ijs is dik zat en geen beer te zien.
De zon kwam tevoorschijn en scheen als een grote warme lamp over de witte vlakte. De jas ging los en de muts af. De omgeving kreeg een zachte tint en de temperatuur vloog omhoog. De lucht werd langzaam kraakhelder blauw en alles om ons heen begon op een aanzichtkaart te lijken.
Ik moest wel oppassen, ik zou zomaar een kleurtje kunnen krijgen. Hoe moest ik dat thuis uitleggen, bijkleuren in het barre Finland. Even verder op het meer was iemand een wak aan het hakken om straks na de sauna even een koud bad te nemen. Bijkleuren en in de winter zwemmen, dat klopte toch met wat mijn vrienden wilden. Net even iets anders, maar apart genoeg toch?
Zachtjes gleden we met een glimlach over het gladde witte bevroren meer, ik vreesde opeens geen ijs met beren meer.