Cententrein


Viaduct Amsterdamse Straatweg

Hoe leuk is het als je na veertig jaar weer contact krijgt met een jeugdvriend waarmee je herinneringen uit je jeugd kunt ophalen. Ouwe lullenverhalen die een glimlach op je gezicht zet als je eraan terugdenkt. Ik heb het over de periode jaren vijftig, zestig van de vorige eeuw. Na de mail van Ad was ik op slag weer terug in mijn oude wijk.
Ik ben in de jaren vijftig geboren op de Laan van Engelswier in Utrecht. Onze flat lag op een straatbreedte naast de spoorbaan. Die rails lopen dwars door de wijk Lagenoord en waren in die tijd onderdeel van Ondiep. Misschien nog steeds maar dat weet ik niet.
Ik heb daar een fantastische jeugd beleefd en denk er vaak met weemoed aan terug.
De enorm kinderrijke buurt was supergezellig en iedereen onder de twintig zocht hun vertier buiten op straat en op het speelveld tussen de huizen. Binnen was er niet zoveel te beleven want er was behalve soms een radio, die vaak door de ouders werd geclaimd, geen internet of tv. Zes tot tien kinderen in een gezin was in die tijd heel gewoon waarmee het in de relatief kleine huiskamers soms behoorlijks hectisch kon worden. De ouders stuurden hun kinderen naar buiten om te spelen waarmee ze zelf hun broodnodige rust verkregen.
Het leven van een kind in die tijd speelde zich voornamelijk buiten af tussen de maaltijden door. Je leefde op straat, binnen werd er gegeten en geslapen, daar kwam het op neer. Buiten werden er vriendschappen gesloten en had je een sterke band met elkaar.

Naast onze flat denderde om de zoveel minuten een trein voorbij. Soms leek het of hij dwars door de huiskamer gierde. De passagierstreinen overdag maakten niet zoveel lawaai, maar de zware nachttreinen deden soms je bed schudden. In de nacht rammelden de ramen in de kozijnen als er weer een transporttrein voorbij denderde.
Ke-deng, ke-deng was bij ons al bekend voordat Guus Meeuwis er een stevige hit mee had.
Als je op die plek opgroeide, vond je de noodgedwongen pauzes in de gesprekken door het geraas van een passerende trein heel normaal. Maar over het algemeen had alleen het bezoek er last van. Het waren andere tijden, het werd geaccepteerd als een klein ongemak dat gewoon bij het leven hoorde.
Het treinspoor was indertijd ook de grens tussen verschillende wijken met een fanatieke jeugd die dat streng bewaakte. Als je geen dringende zaken had in een andere wijk waagde je het niet om daar te komen. De toegang tot de wijk Houtplein werd via de doorgang aan de Schutstraat tot de patatzaak op de hoek getolereerd, verder mocht je niet gaan. Vrijwel iedereen respecteerde dat ook, omdat als je dat negeerde, je een onvrijwillige facelift kreeg. Het waren geen vrome scouting jongeren die daar woonden. De plek was bekend door de probleemgezinnen die er geplaatst werden. In die tijd kon de strijd van kerstbomenjacht tegen de Houtpleiners uitmonden in complete veldslagen met de nodige verwondingen.
Tegenwoordig zit er voor ons oude huis een tunnel zodat je onder het spoor door zo naar de wijk kunt rijden. Andere tijden, andere jeugd, in onze tijd zou het een nachtmerrie zijn geweest.

De spoorbaan had een dominante plek in mijn jeugd. Ik was vliegerfanaat, expert met wondervliegers en heb veel capriolen uit moeten voeren om mijn vliegers van de spoordijk te halen. Het was uiteraard verboden gebied en bloedlink als je gesnapt werd op de dijk. De parkwachter (parkpik) was berucht en gevreesd in die tijd. Als die bromsnor je vader inlichtte had je een probleem. Twee of drie weken binnen blijven die volgde na zijn beklag was mensonterend, vonden we. Een week duurde toen minstens een jaar.
Soms moest je dus een vlieger afschrijven omdat je niet wilde gaan zitten voor de stuiver die dat ding kostte. Je kon ook iemand anders inschakelen die thuis niet op scherp stond om je vlieger te bergen. Dan bleef je in de schuld staan en kon je alleen maar hopen dat de tegenprestatie niet een enorme kloteklus was, wat uiteraard wel gebeurde.

Ad, een van mijn jeugdvrienden en de bron van dit verhaal, had mijn boekje ‘Utrecht van Toen’ gelezen en vroeg zich af waarom er niets instond over de ‘Cententrein’.
Dat was toch iets om nooit te vergeten, vroeg hij.
Ik had op dat moment geen idee waar hij het over had. Toen hij het echter beschreef, kwam er steeds meer terug tot het moment dat ik het weer helemaal voor me zag. Natuurlijk, de happening langs het spoor, hoe kon ik dat nou vergeten zijn? Het lag ergens op de plank in mijn brein totdat iemand anders het eraf haalde.
Op het spoor naast ons huis stond een stoplicht voor de treinen die richting Utrecht Centraal reden. Na de oorlog stopten daar regelmatig wagons met militairen. Een trein stond soms minutenlang te wachten voor dat licht en dan hingen de militairen ongeduldig uit de ramen. Ze floten en maakten behoorlijk wat kabaal dat het ding moest gaan rijden.
Dat trok de aandacht van de jeugd die dat wel leuk vond en terug joelde. Toen er een militair wat penny’s naar beneden gooide wisten we pas dat het Engelsen waren die met verlof vanuit Duitsland richting huis reisden.
De naam van de Cententrein was geboren. Die reed om de twee weken om ongeveer half acht in de avond langs met veel tumult.

Iedereen van ons wilde wel zo’n vreemd pennymuntje die we centen noemden. Niet snel daarna volgden sigaretten met 5 stuks in een doosje. Pakjes kauwgom en vierkante plakken chocolade. Allemaal dingen die we dolgraag wilden, thuis was namelijk alles schaars. Met de rookwaar brachten we onze ouders in een goede bui. In tegenstelling tot nu rookte bijna iedereen in die tijd en ook overal. Een verjaardag thuis werd vrijwel altijd in blauwe rook gevierd.
Het gekrijs van de kinderen om mij heen en de lachend reagerende militairen hoog boven ons op het spoor zie ik nu weer voor me. Iedereen die op de spoordijk stond werd genegeerd, dat wilden de militairen niet, dat vonden ze te gevaarlijk. Stond je achter het hek dan was het goed en kreeg je lekkers toegegooid.
Het werd een spectaculair evenement op de vrijdagavond. Als iemand de kreet ‘Cententrein’ riep stopte de wereld en stoven we naar het spoor, zelfs tijdens een voetbalwedstrijd. Bij het spoor was wat te halen. Het gebeurde dat vliegers die in de lucht stonden voor even een andere eigenaar kregen omdat de houder van het klosje touw honger had en naar het spoor wilde. Als de tijdelijke houder niets kreeg was de vlieger verbeurd, zo was de ongeschreven regel van de straat. Straatregels waren nergens te lezen maar waren duidelijk voor iedereen en niemand deed er moeilijk over.

Soms stopte de trein niet naast ons huis en reed hij langzaam door. De jeugd die stond te wachten loeide dan van teleurstelling, zelfs de militairen in de trein, ook al wilden ze dolgraag naar huis. Ze hadden de spullen al klaarliggen op de banken om naar beneden te gooien.
Er was gelukkig nog een tweede optie. Op het spoor ter hoogte van de Schutstraat, net voor de brug over de Amsterdamse Straatweg, stond nog een stoplicht. De opluchting was groot als de trein daar wel stopte en de traktatie alsnog kon beginnen.
Het kabaal werd op die plek nog intenser omdat de ruimte tussen de huizen en het spoor smal was en de gevels het geluid versterkte en weerkaatste. Het was te vergelijken met een uitverkocht stadion bij een voetbalwedstrijd waarin gescoord werd door de thuisclub. Juichend gingen we uit ons dak. De militairen juichten mee als er iets werd gevangen dat ze vanuit de trein naar de straat beneden hen gooiden.
Het werd bij de militairen ongetwijfeld doorgegeven dat er voor het CS in Utrecht een happening stond te gebeuren als ze traktaties naar beneden gooiden. Het duurde ongeveer een jaar en was opeens afgelopen. Maar we hebben ervan genoten, de Cententrein bracht emotie en plezier in onze wijk.

Ik heb weer een prachtige jeugdherinnering terug, bedankt Ad

Ad Roelandschap en Willem Mulder
Auteursrechthouder foto: Het Utrechts Archief