Zakmes, de vijfduimer


zakmes maken in ondiep

In de spellentijd op straat die de jaren vijftig en zestig de seizoenen beheersten zat ook het werpspel Landjepik. Zo noemden we het tenminste in onze buurt maar het had ook andere namen. Om het spel te spelen werd er een stuk grond schoongeveegd waarop een land werd getekend met diepe lijnen. Elke vorm land was toegestaan.
De inzet en het aantal worpen werd vooraf bepaald en er werd getost wie er mocht beginnen. Als het mes binnen de lijnen in de grond gegooid werd moest het doorgetrokken worden in de richting waarop het stond. De ‘oude’ lijn werd dan weggeveegd en het vergrote stuk werd eigendom van de pikker aan beurt. Als het mes echter buiten de lijn terecht kwam, was de beurt over en lag de grond open voor de tegenstander om het binnen te halen. Na de afgesproken worpen was de winnaar degene met het grootste land.

Meestal was de inzet een tol, vlieger, iets te eten of een dienst. Dat laatste was heel listig omdat je zonder uitzondering moest doen wat je opgedragen werd. De meest ondankbare klus lag al op je te wachten. Sommigen onder ons speelden dit spel om hun k-klussen uit te besteden.
Alles bleef echter onderhandelbaar, je kon het ook weer afkopen voor geld of met spullen. Ik heb daar veel eigen diensten, ik plakte namelijk lekke fietsbanden in mijn schuur, voor nodig gehad.
Om te kunnen winnen had je dus een goed mes nodig, maar bijna niemand kon zich een zakmes veroorloven. Je zorgde dus zelf voor een mes, of zoals beschreven in dit verhaal, liet je iemand anders dat doen. Op onze leeftijd kon je geen mes kopen, als je daar trouwens al het geld voor had. Daar moest wat op gevonden worden en inventief als de jeugd toen was in improvisatie werd daar een oplossing voor bedacht.
Grote spijkers werden op de spoorrails gelegd om ze te walsen.

Onder het mooie geluid van een heldere ke-deng kreeg de spijker een trein over zich heen en lag er een prachtig mes klaar tussen het grind. Voor degenen onder ons spontaan foute ideeën krijgen, doe het niet! Je bent inmiddels te oud en te stram om het hek over te komen en de ziektekosten voor je ouwe lijf zijn al hoog genoeg. Je weet dan ook dat het levensgevaarlijk was. Die scherpe dingen vlogen alle kanten op.
Ik heb gevallen gezien dat het maar net goed ging en het verbaast me nog steeds dat er geen slachtoffers gevallen zijn.
De moeder van alle zelfgemaakte messen ontstond uit een vijfduimer, een platgewalste spijker. De maat daarvan is ongeveer 13 cm lang, iets te kort voor een lekker mes, maar na het walsen werd dat ergens tussen de veertien en vijftien centimeter. Dat bleek een prima maat om te pikken. Wilde je een dolk dan moest hij nog een keer onder de trein en werd hij soms wel twintig centimeter lang.
Sommigen onder ons dromen nog steeds van die maat.

De fabricage van het zakmes was uiterst geheim. De Parkpik, de buurtagent die de wijk controleerde, deed er alles aan om te weten te komen waar ze vandaan kwamen. De invloed en macht van de man in het groene uniform was in die tijd enorm. Als hij dreigde je ouders in te lichten over een vergrijp werd je zo klein en bang als een muis. Een thuisstraf van twee weken was bijna dodelijk in onze beleving. Tv en internet bestonden toen nog niet.
Wat de Parkpik echter ook probeerde, het lukte hem niet te achterhalen waar die messen die hij af en toe in beslag nam, vandaan kwamen. Als iemand het in zijn hoofd zou halen het te verklappen zou hij niet alleen thuis in de hel belanden maar kon de verklikker daarna ook beter binnenblijven. De geheimhouding over de namen van de jongens die meededen om de messen te maken was heilig. Er werd gezworen tot geheimhouding volgens de eer van de straat
Een ding kan ik wel verklappen, ik leverde de benodigde spijkers.

Mijn vader werkte samen met een aannemer die pakken spijkers in zijn schuur had staan voor klussen. Ik had toegang omdat het kolenhok daar bijzat en ik dat vaak moest bijvullen. Zakjes kolen halen op de Amsterdamse Straatweg was een van de k-klussen die ik graag iemand anders liet doen. Niemand wilde graag met die kolenzak in zijn nek lopen, het was zwaar en je werd er zwart van. Maar als ik in het magazijn wilde komen moest het wel. Met enige regelmaat liet ik daar een paar vijfduimers uit de voorraad verdwijnen. Dat deed ik mondjesmaat alsof ze gewoon tijdens een bouw gebruikt waren.
Als de voorraad spijkers voldoende was werd de planning gestart om de spijkers ‘te walsen’. Iemand van ons wist precies wanneer er zwaar treintransport langs zou komen die nodig was om tot een goed resultaat te komen. Personentreinen bleken te licht om een goed mes te maken. De zware kolentrein gaf het beste resultaat, die had er geen moeite mee.
We hadden in het hek van het spoor een toegang gemaakt door de doornenbosjes die ervoor stonden. Het was een kronkelig pad en daar liep je niet zomaar doorheen zonder extra hout in je lijf. Door de doornen kwam je eruit te zien als een krentenbol. Dat hout moest er wel uit want als je het liet zitten begonnen ze te zweren. Dat moest je thuis dan weer gaan uitleggen als je moeder die naalden moest trekken want iedereen wist waar die bosjes stonden. De bal of de vlieger in de bosjes was een vaak gemaakt excuus.

We deden een stuk of tien spijkers in één keer, verdeeld over een lang stuk rails.
Als de trein naderde werd er dekking gezocht totdat het kolentransport voorbij gedenderd was. Er lagen dan veel jongens te ‘spotten’ langs de dijk. De harde ping die klonk werd gevolgd door een doffe inslag en daar lag ergens het nieuwe mes. De spotters moesten dan melden waar de nieuwe messen geland waren. Ze vlogen tijdens het ‘walsen’ soms alle kanten op wat het zo gevaarlijk maakte. Niet alle messen werden gevonden, het zou me niet verbazen als er nog een paar in de spoordijk verborgen lagen.
Nadat iedereen voorzien was van een mes werd het een goed verhandelbaar object buiten de wijk. Sommigen kochten er hun nieuwe vliegers of voetbal van. Het resultaat na het walsen van de spijker was dan ook vaak verbluffend fraai. Na de afwerking door onze vijlspecialist was de ronde vijfduimer veranderd in een glanzend mooi scherp plat mes met handvat (platte kop van de spijker) waarmee je prima pik-wedstrijden kon spelen.
Zo kreeg je een echt maar illegaal zakmes, dat je nooit kon dragen. Het werd meestal ergens verborgen tot het gebruikt werd. Niemand mocht weten wie het gemaakt had. De eer van de straat verbood het je vertellen, nog steeds.

Willem Mulder
www.willemmulderweb.com
Foto: eigen foto